Het beeld Saving mankind, dat een (letterlijk) cruciale rol speelt in Aslander III

Dit is het beeld dat op Aslander een overweldigende indruk maakte (zie het eerste romanfragment, in het blogbericht hieronder).

Het beeld van Okke Weerstand is op afspraak te bezichtigen in de galerie van zijn oom, Geert Weerstand, in het oude hart van Urk (Wijk 2-92). Op zijn website zijn meer foto’s te zien. Okke maakt het in een eerste oplage die beperkt is tot een maximum van twaalf exemplaren. Zoals het beeld zijn werk doet in ons huis, zo kan het dat ook in uw huis doen. Of in een kerk.

Wie het beeld bestelt, kan het in de Stille Week van 2013 al zijn plek geven, om het zijn werk te laten doen. Op vrijdagavond 15 maart zal het beeld tijdens een speciaal moment op een nader te onthullen plaats aan u overhandigd worden.

Voor meer informatie of een afspraak tot voorbezichtiging: info@okkeweerstand.nl.

 

Voor de draad ermee. Het eerste fragment uit Aslander III. Binnenkort volgt het beeld.

“De kamer was keurig, op het stijve af. De inrichting was niet klassiek en niet modern – en ook niet heel persoonlijk. Alles lag op de plek waar je het zou verwachten, waar het hoorde. Eén boek lag open op tafel, de andere stonden in keurige rijen in kasten, waar op ooghoogte een plank was uitgespaard voor een grote steen, die van binnen hol was en allemaal paarse kristallen bevatte. Geen stof, besefte Aslander. Nergens stof. Toen zag hij dat Mila midden in de kamer stilstond, en roerloos en zwijgend staarde naar een plek aan de muur. Hij volgde haar ogen.
Ineens zag hij wat zij zag. De aanblik raakte hem vol in zijn gezicht. Hij voelde het bloed uit zijn wangen wegtrekken, het gewicht van zijn lichaam in zijn onderbenen zakken, en werd licht in zijn hoofd. Het was of hij alleen nog maar uit geest bestond, op aarde gehouden door het gewicht in zijn voeten.
En uit ogen. Ogen die de man zagen die aan de muur hing.
Een verscheurde man. Een man die alleen nog bestond uit een pols waar een lange spijker doorheen gedreven was. En een hand die de tevergeefs probeerde de spijker te pakken. En uit een hoofd dat probeerde de vonkende pijnscheuten te verwerken, een afgemat hoofd, half hangend, proberend omhoog te komen uit de pijn om zich te concentreren op wat die pijn veroorzaakte. Uit ogen, prikkend van zweet en van bloed, die probeerden zicht te krijgen op de spijker, slechts een armlengte verderop en tegelijk onbereikbaar ver weg – alsof hij in de oorzaak van de pijn de motivatie vinden kon om haar te verdragen.
De hand, zag Aslander nu, probeerde niet de spijker uit te rukken. De vingers spreidden zich haast zorgzaam uit, alsof ze de spijker zegenden. Alsof ze iedereen zegenden die naar deze spijker staarde, en de pijnscheuten voelde die de man aan de muur moest voelen.

Het was de man die hij ontmoette als hij de preekstoel op moest in zijn kerk in Leiden. Dezelfde. De man die hem aankijkt. De man die draagt wat niet te dragen is. De man die op zijn schouders krijgt waar hele werelden aan kapotgaan.
En eraan kapot gaat.

Aslander had nog nooit zo’n beeld gezien. Beschadigde crucifixen, gered uit de puinhopen van uitgebrande, gebombardeerde of ingestorte kerken, die kende hij wel. Maar aan dit beeld lag een keuze van de kunstenaar ten grondslag: de rechterarm van de gekruisigde was weggelaten, afgerukt als een onbelangrijk detail. Zelfs het kruis was weggelaten, het ruwe hout waartegen de kapotgegeselde rug urenlang had geschuurd. Alle emotie was samengebald de armlengte tussen de ogen van de man en de spijker in zijn pols. Het was een onthutsend beeld.

Aslander merkte dat Mila haar blik had losgemaakt van de man aan de muur. Ze keek hem aan. In haar ogen las hij haar vraag. Het was ook zijn vraag. Want hoe indrukwekkend het beeld ook was, als kunstwerk, het kon hier niet hangen. Niet aan deze muur. Niet in dit huis.
Maar het hing er.”

 

Het bronzen beeld dat kunstenaar Okke Weerstand maakte, en dat een centrale rol zal spelen in het derde deel van de Aslanderreeks, hangt nu twee weken in mijn woonkamer.
Het beeld was bedoeld als katalysator voor de gebeurtenissen in Aslander III. Nou, het werkt. Er komt iets los door het beeld. Niet alleen in het boek, maar vooral in mij. Ik ben gaan schrijven.
Okke en ik hadden bekokstoofd dat we het beeld pas onthullen zouden bij het verschijnen van het boek. Maar dat lukt me niet.
Het is nog wat vroeg, want Okke en ik zijn het plan nog aan het bedenken. Maar in de loop van de week volgt er meer. Het eerste fragment van Aslander III. En we onthullen het beeld.

 

Lees morgen het Nederlands Dagblad: Aslander II – Het laatste gezicht komt nieuw binnen in de toptien van boekhandelsketen BCB. Op de derde plaats! Daar ben je als auteur normaalgesproken natuurlijk al dolgelukkig mee, maar nu is het dubbel leuk. Want het waren natuurlijk de BCB-winkels die vorig jaar de moed hadden om in zee te gaan met een absolute beginneling in het vak. Aslander I was een mooi begin (en van een oplage van 23.000 boeken kan ik voor de rest van mijn leven alleen maar dromen…), maar dat was natuurlijk nog altijd een cadeau dat ze uit eigen zak aan hun klanten ten geschenke gaven. Nu Aslander II – Het laatste gezicht begint te lopen, worden de boekhandelaren beloond voor hun moed van vorig jaar. Dat is toch wel een soort van mooi.

 

Vandaag opent de Koningin zelve het nieuwe treinstation in Dronten. Dronten heeft een NS-station… het klinkt toch op een of andere manier als het nieuwsbericht van Herman Finkers: ‘Glanerbrug heeft kabeltelevisie! (Wanneer Glanerbrug riolering krijgt is nog niet bekend.)’ Hoe dan ook, de redactie van Dit is de dag heeft mij als Drontenaar (yeah, Ich bin ein Drontenaar) gevraagd of ik bij de gelegenheid een tekstje wilde componeren, en zowaar, dat lukte.

Profetie over Dronten

Dronten. De best verborgen wereldstad ter wereld.
Zo goed verborgen dat je het zelfs niet ziet als je er bent.
Dit land is op de tekentafel uitgedacht, met lint en lineaal.
De wereld is van klei en glas en staal. Een prachtstad, echt –

als je er eenmaal woont en niet meer terug kunt. Dan – echt –
waardeer je dat. Dit is een stad voor wie gelooft wat je niet ziet,
wie zien wil wat alvast geloofd moet worden: dat deze stad straks,
Als de trein er is, een wereldstad zal worden. Tot u spreekt uw profeet:

Voorwaar voorwaar ik zeg u: dit Dronten word een wereldstad.
En dan lach ik u uit. Dat wordt dan over pakweg honderddertig jaar,
Dus waarschijnlijk lach ik dan wat te hol en wat te hard.
Maar goed. Dan weet u dat.

Overigens is ook dat van die waardering waar. Het woont hier best. Maar ja, dat neemt na zo’n vers natuurlijk niemand meer serieus :)

© 2012 Rien van den Berg